
|
De nieuwe
CD van The
Cramps verschijnt op 7 april 2003! Titel: Fiends of Dope Island. Weliswaar heeft dit stukje niets met Harleys van doen, maar wel alles met Rock & Roll. En dan geen Rock & Roll waarvan je ouders destijds vonden dat het er nog net mee doorkon. Nee, dit verhaal gaat over The Cramps (1. knoop, scheut, verwrongen. 2. Amerikaans tienerjargon voor ongesteldheid, I've got the cramps). Voor een deel heb ik leentjebuur gespeeld bij artikelen van diverse poprecensenten. In de jaren zeventig pikt Lux Interior (= naam uit een accessoirelijst van een Chevroletfolder, zijn echte naam: Erik Purkheiser) een liftster op, Poison Ivy (= giftig muurbloempje, haar echte naam: Kristy Marlana Wallace). Samen zullen ze het kosmische koppel vormen van de basis van een band die zal uitgroeien tot een van de meest legendarische cultbands aller tijden. Hun muziek laat zich beluisteren als een speurtocht naar het wezen van wat rock & roll eigenlijk zou moeten zijn, een zoektocht door de donkerste krochten van de menselijke geest. Ze zijn inmiddels uitgegroeid tot een genre in zichzelf, de psychobilly: obscure rockabilly geïnspireerd door B-horror-films, comics uit de jaren vijftig/zestig, doo wop en sixties-punk. De invloed die The Cramps hebben gehad (en nog steeds hebben) mag niet worden onderschat. Zij hebben tallozen voor het leven verslaafd doen raken aan de duistere onderwereld van de rock & roll. Complete platenseries (Born Bad) zijn er gewijd aan de obscure wereld van hun muziek. The Cramps
worden in 1975 opgericht door Lux Interior en Poison Ivy. Brian Gregory
zal de ritmegitaar voor zijn rekening nemen. Twee problemen, er is geen
drummer en Brian kan geen gitaar spelen. De drummer vinden ze in Nick
Knox (echte naam: Nicolas George Stephanoff), qua uiterlijk een jongere
versie van Roy Orbison. Hij is de enige die in een gezelschap van ongeveer
tien man tegen Poison Ivy durft te praten. Deze heldendaad vormt een pittige
aanbeveling, die nog wordt overtroffen door de wetenschap dat Knox' vader
thuis in de kelder een compleet illegaal wapenarsenaal heeft ingericht.
Zijn eerste drumstel was een militaire trommel. Fijn meegenomen is ook
dat Nick nergens een eigen mening over heeft, of die althans in ieder
geval niet vertelt. Op de vraag waarom hij zo weinig spreekt, antwoordt
hij ooit: 'Ik heb water in mijn kop dat bevriest als het slecht weer is.' Een hoop gesodemieter met de platenmaatschappij zorgt ervoor dat het enkele jaren duurt voor ze hun artistieke vrijheid terug hebben. Hun hele verdere loopbaan is op het koddige af onbeholpen en ongestroomlijnd geweest. Volgens het principe van luctor et emergo hebben ze zich tot op heden door zowel klassieke drie-akkoordenschema's als rechtszaken, zelfverwondingen, vermeende sterfgevallen, uitgefreakte producers, gekkengestichten en uitvallende bassisten heengestunteld. Lange tijd
worden hun 'liedjes' overheerst door teksten waaruit blijkt dat ze met
het menselijk ras niet zo goed uit de voeten kunnen... Een fragment uit
een interview: "Al je praatjes zijn nietszeggender dan de lucht die
je inademt, maar de maatschappij zou niet werken als je niet, net als
ieder ander pretendeerde een keurig mens te zijn. Maar wat zit er onder
dat lamentabele laagje beschavingsvernis. Je bent geen dier. Je bent een
mens, van het soort dat zes miljoen joden vergast, het milieu naar de
kloten helpt en het geliberaliseerd christelijk normbesef aanhangt."
In 1980 maak ik kennis met deze band, terwijl ik in dat jaar ook nog eens 24 uur per dag bezig ben met het verdedigen van ons vaderland. Op een donderdagavond loop ik samen met Lineke en Henry (een dienstkameraad) door de Zwolse Roggenstraat, waar toen nog platenzaak Studio 6 zat. Buiten staat een rek met daarin de nieuwste LP's. We kijken even wat erbij staat, waarop Henry zegt: 'Die moet je kopen.' Ik: 'Hoezo?' Henry: 'Omdat dat een nieuwe band is en ik zeker weet dat jij het mooi zult vinden.' Ik: 'Oh', waarna we naar binnen lopen en ik de plaat koop. De titel van de LP is 'songs The Lord Taught Us' en de naam van de band dus The Cramps. Als ik hem voor het eerst draai is het alsof ik een baksteen in m'n gezicht krijg. Sindsdien ben ik volkomen verslingerd aan garagerock. De eigenlijke uitvinders van dit genre zijn The Sonics (beginjaren zestig). Bekende namen: Iggy Pop en The Ramones. Amsterdam, 29 april 1980. Koningin Juliana regeert voor het laatst, morgen wordt Beatrix ingehuldigd. Er broeit van alles in de stad. Die avond spelen The Cramps voor het eerst in Nederland en wel in de Melkweg (A'dam). Het vertoonde is ongehoord, bovendien niemand van de aanwezigen heeft ooit zoiets gezien. De muziek is beangstigend hard en de lichtshow bestaat uit enkele kaarsjes die op de speakerboxen wankelen. De zanger is lang en heeft een veel te groot hoofd. In zijn ogen iets waanzinnigs dat even sympathiek als zielig overkomt. Zijn bovenlijf is ontbloot (Iggy Pop-stijl) en hij is bezweet-smerig van het podiumstof waarin hij zich naar hartelust wentelt. Hij werpt zich in het publiek, dat daar maar wat verbijsterd staat te staan. Wij zijn Nederlanders, gewoon is al gek genoeg! Hij heet Lux Interior. Links op het podium staat een meisje met een Stratocaster, dat het publiek geen blik waardig keurt. Het is Poison Ivy Rorschach, Interior's echtgenootachtige vriendin. Rechts durf je bijna niet te kijken. Daar bespeelt een geïnfecteerde injectienaald de ritmegitaar. Dit is Brian Gregory ook wel beschreven als 'doorzichtig'. Hij rookt onophoudelijk, met de brandende kant van de sigaret niet naar buiten, maar in de mond. Wanneer hij er genoeg van heeft, tuft hij de brandende peuk in het publiek. Zijn gezicht is pokdalig, zijn haar voor de helft aangevreten grijs. Dit soort man verwacht je enkele uren na je dood. Hij legt je in een kist en graaft zwijgend een kuil. Ook: een drummer met zwarte handschoenen, type huurmoordenaar in een boek van Mario Puzzo. Hij heet Nick Knox en als hij zijn tweede generatie Mafia-duimen op je adamsappel zet, weet je dat hij weldra onbewogen een milkshake in het café om de hoek gaat drinken. 1981. The Cramps treden op in De Gigant (Apeldoorn) en presenteren hun nieuwe album, Psychedelic Jungle. Lineke en ik zijn er ook. Hoewel een hasjhond zich er dood zou blaffen is de sfeer in de zaal en op het podium het niveau van cannabisroes en rugzakromantiek gelukkig ver ontstegen. Ook nu weer is het een zootje van jewelste. De groep dementeert waar je bijstaat. Lux Interior staat weer met ontbloot bovenlijf alle duivels uit de hel te schreeuwen. Kennelijk heeft-ie de avond ervoor in een glasbak geslapen, want hij zit onder de snijwonden. Hij lijkt op het jongere broertje van Frankenstein. Kid Congo Powers (speelde ook bij The Gun Club en Nick Cave and the bad seeds) heeft Brian Gregory vervangen. Die heeft onder mysterieuze omstandigheden de band verlaten (rijdt na een concert weg met de apparatuur van de band..?). De energie die de zaal wordt ingesmeten valt niet te beschrijven. Temidden van al die gekte zit drummer Nick Knox stoïcijns zijn werk te doen. Zijn achteloos geslagen 'backbeat' geeft het in aanzet gejaagde psychobilly-ritme zijn merkwaardig logge cadans, als van een snel wandelende olifant. Nog primitiever drummen kan alleen op een holle boomstam. Het hele zootje lijkt zo weggelopen uit de TV-serie 'The Munsters'. In de jaren
'90 verschijnen drie CD's en volgen er even zovele tournees door de Verenigde
Staten en Europa. Ik zie bij elke tour een optreden in Paradiso. Afgezien
van een andere drummer (helaas) en de entree van een heuse basgitariste
walmt ook nu weer de gekte je tegemoet. Hoogtepunt bij een van die concerten
is wel de bizarre klimpartij van zanger Lux Interior. Terwijl hij stiletto-naaldhakken
aan heeft, klimt hij via de boxen naar het balkon, de microfoon in de
mond. Enkele fans steken de armen toe en hijsen hem op het balkon. Na
een paar nummers gaat hij weer terug naar het podium, maar niet via de
nooduitgang waar hij vlakbij staat, maar weer via de boxen. Dat-ie daarbij
niet naar beneden valt is een wonder. |